Boekgegevens
Titel: Het Fransch voor katholieke scholen: lezen, spreken, schrijven, van buiten leeren
Deel: II
Auteur: Werf, F. v.d.
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1895 *
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9427
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203001
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het Fransch voor katholieke scholen: lezen, spreken, schrijven, van buiten leeren
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
zich nooit. Waarom bedriegt hij zich nooit? Hij is
zeer oplettend. Hebt gij u niet bedrogen? Neen, ik
heb gelijk; gij hebt ongelijk. Zou hü zich wreken?
Neen, hij wreekt zich nooit. Laten wij naar bed
gaan. Neen, laten we nog een pijp rooken. (fumer).
113. Ik sta om zes uur op en ga om half negen
naar bed. Waar hebt gij gewandeld? Wij hebben
op straat gewandeld. Laten wij onder dien boom
uitrusten. Laten wij hoepelen {jouer au cerceau).
Neen, laten we vlinders vangen. Eet die vruchten
niet; zij zijn nog onrijp. Laten wij bidden! Ween
niet, mijn kind; veeg uwe tranen (larmes) af. Laten
we God' danken! Dood de kleine vogeltjes niet.
114. Het Fransch heeft twee verleden tijden: den
Imyarfalt en den Passé défini.
Imparfait van avoir.
J avais. Ik had.
Tu avais.
Il avait.
Elle avait.
On avait
IVons avions
Vons aviez.
Ils avaient.
Elles avaient
Imparfait van être.
J'étais.
Tu étais.
Il était.
Elle était.
On était
,\ons étions.
Vous étiez.
Ils étaient.
Elles étaient.
Ik was.
Passé défini.
J'eus.
Tu eus.
Il eut.
Elle eut.
On eut.
\'ons eûmes
Vous eûtes.
Ils «urent
Elles eurent.
Ik had (kreeg)-
Passé défini.
Je fus.
Tu fus.
Il fut.
Elle fut.
On fut.
Sous fûnifs.
Tous tûtes.
Ils furent.
Elles furent.
Ik werd.