Boekgegevens
Titel: Raad van bestuur: een twintigtal voorbeelden uit de Heilige Schrift, ter navolging of waarschuwing aan de jeugd voorgesteld. Een leesboek voor school en huis
Deel: 3e stukje
Auteur: Velden, C. van der
Uitgave: Kampen: G. Ph. Zalsman, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8895
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202969
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Raad van bestuur: een twintigtal voorbeelden uit de Heilige Schrift, ter navolging of waarschuwing aan de jeugd voorgesteld. Een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
6. DE ZWAKKE RECHTER.
Wg verplaatsen ons in Jeruzalem tgdens de lij-
densgeschiedenis des Heeren, en staan voor het recht-
huis van den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus,
die wel zijn paleis te Cesarea heeft, maar op de
feesten der Joden meestal Jeruzalem bezoekt. Eene
groote menigte verdringt zich voor dat rechthuis.
Wat drijft hen daarhenen ? De Joodsche raad heeft
zich er heenbegeven in den vroegen morgenstond, om
den landvoogd te bewegen het vonnis des doods te-
gen Jezus te bekrachtigen en ten uitvoer te leggen.
In den afgeloopen nacht is dat geduchte woord uit-
gesproken: »Hij is des doods schuldig." Zoo staat
de Heiland daar voor den Romeinschen stadhouder;
zoo staat het onschuldige Lam voor den aardschen
rechter. Wie is deze ? Uit de gewijde en ongewijde
geschiedenis leeren wij hem kennen als een man,
die wreed, onrechtvaardig, en daarbij zwak en
vreesachtig is, hoedanigheden die geen rechter voe-
gen. Hg is de man, die zich schikt naar de om-
standigheden , maar in verkeerden zin: hij buigt het
recht en is te zwak om naar recht en wet te han-
delen. Geheel de rechtspleging met Jezus draagt
daarvan het kenmerk, toont ook, hoe hg onder de
macht der zonde is gebonden. Voor dezen, Pilatus
staat de Heiland nu als beschuldigde. Zijn beschul-
digerä verklaren hem, dat Hij het volk verleidt,
dat Hij verbiedt den Keizer schatting te betalen, en
dat Hg zich uitgeeft voor Christus en Koning. De
heidensche rechter wendt zich tot Jezus zelf, met de
vraag: »Zijt gij de koning der Joden?" En nadat
de Heiland de belgdenis heeft afgelegd: »Gij zegt
het, ik ben een koning; maar mgn rgk is niet van