Boekgegevens
Titel: Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8937
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202958
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
2. Een driehoek te construeeren, waarvan gegeven zijn de
grondlijn, de tophoek, en het verschil der opstaande zijden.
3. In een driehoek een vierkant te beschrijven, zoodanig dat
twee hoekpunten van het vierkant in de grondlijn, en de
beide andere hoekpunten in de opstaande zijden vallen.
4. Te bewijzen: Wanneer in een rechthoekigen driehoek
een cirkel is beschreven, zal het produkt der deelen,
waarin de schuine zijde door het raakpunt verdeeld wordt,
gelijk zijn aan het halve produkt der rechthoekszijden.
5. Op het verlengde van een gegeven lijn een punt te vinden,
zoodanig, dat het produkt van zijn afstanden tot de uit-
einden der gegeven lijn, gelijk zij aan het vierkant van
een andere gegeven lijn.
6. Een cirkel te beschrijven, die een gegeven cirkel in een gege-
ven punt, en bovendien eene gegeven rechte lijn aanraakt.
7. Een cirkel te beschrijven, die door twee gegeven punten
gaat en een gegeven rechte lijn aanraakt.
8. Een trapezium in twee gelijke deelen te verdeelen door
eene lijn, evenwijdig aan de grondlijn.
9. Hoeveel graden bevat de hoek eens cirkelsectors, die
even groot is als de regelmatige 12-hoek, beschreven in
den cirkel, waarvan die sector een deel uitmaakt.
10. Een gegeven driehoek in drie gelijke deelen te verdeelen
door lijnen evenwijdig aan een der zijden.
11. Een vierhoek in twee gelijke deelen te verdeelen door
eene lijn, getrokken uit een punt in een der zijden gelegen.
12. Een driehoek in twee gelijke deelen te verdeelen door een
lijn, die loodrecht op een der zijden staat.
13. Een gelijkzijdigen driehoek te construeeren, waarvan het
oppervlak gelijk is aan dat van een gegeven onregelmatigen
vijfhoek.
14. In een gegeven cirkelkwadrant den grootst mogelijken
cirkel te beschrijven en het oppervlak van dezen cirkel
uit te drukken in den straal van den cirkel, waartoe het
kwadrant behoort.
15. In een gegeven cirkelkwadrant een vierkant te beschrijven,