Boekgegevens
Titel: Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8937
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202958
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
■SgWBMHi
24
van den tweeden staat als 3 tot 25 , wat is dan de ver-
houding der breedte van den eersten rechthoek tot die van
den tweeden?
8. Hoe verhouden de zijden van twee vierkanten zich, als
hun oppervlakken tot elkaar staan als 324 tot 625?
9. De lengte aan een rechthoek is 2 decimeter en de breedte
14 centimeter. Bereken het oppervlak van dien rechthoek.
10. Van een vierkant is de omtrek 23 centimeter; bereken
zijn oppervlak.
11. Het oppervlak van een rechthoek is 32; als zijn breedte
5 is, hoe lang is hij dan?
12. Het oppervlak van een vierkant is 35 vierkante decimeter.
Bereken zijn omtrek in centimeters nauwkeurig.
13. Bewijs dat een vierkant half zoo groot is als een ander, waar-
van de zijde gelijk is aan de hoeklijn van het eerste vierkant,
14. Construeer een vierkant, dat zoo groot is als drie gegeven
vierkanten samen.
15. Bereken in drie decimalen nauwkeurig do hoeklijn van
een ■ vierkant, dat zoo groot is als twee andere, waarvan
de zijden 13 en 22. zijn.
16. De hoeklijn van een vierkant is 6 centimeter; bereken zijn
oppervlak.
17. Van een rechthoekig stuk land is de lengte 225 meters
€ en do breedte 84 meters; hoeveel hektaren is dat land groot?
^ 18. Een rechthoekig stuk land, dat 64 meter breed is en 300
meter lang, ^vil men over de breedte door slooten verdeelen
fin stukken van 24 aren. Hoe ver moeten die slooten van
elkaar verwijderd zijn?
X 19. Als een rechte lijn als eenheid gegeven is, vraagt men
-j een vierkant te construeeren, waarvan de oppervlakte 2 is.
^ 20. Een rechthoek is driemaal zoo lang als breed; indien het
* oppervlak 507 aren is, bereken dan de lengte van dien
rechthoek.
21. Om een rechthoekig stuk land, 45 M lang en 32 M breed»
j ligt een sloot van 1 ^ M breedte. Met hoeveel vierkante me-
ters zou dit land vergroot worden door demping van de sloot ?