Boekgegevens
Titel: Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8937
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202958
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
9. Van een scherphoekigen driehoek zijn twee zijden 7 en 11
centimeter en de projectie van do eerste op de tweede é
centimeter. Bereken in millimeters nauwkeurig de derde zijde.
10. Bereken de grootste zijde van een stomphoekigen driehoek,
als de andere zijden 15 en 18 zijn en de projectie van de
eerste dezer twee op het verlengde der laatste 7. De
nitkomst moet nauwkeurig zijn in twee decimalen.
11. Van een driehoek zijn de zijden 6|, 7 en 7^. Bereken
de projectie van de eerste zijde op de tweede.
12. Twee rechte lijnen, waarvan de eene lang is 8 decimeter en
de andere 5 decimeter, loepen evenwijdig. Als de projectie
van de eerste lijn op een derde 5 decimeter is, hoe lang
zal dan de projectie van de tweede lijn op de derde zijn?
13. Onderzoek van een driehoek of hij recht , scherp-, dan
wel stomphoekig is bij de volgende gegevens:
a=13 6=5 c=12
a — 2 6=8 e - Q
a = 11 & = 13 c = 20
14. Bereken de drie hoogtelijnen van een driehoek, als de
zijden 14, 13 en 12 zijn.
15. Van een driehoek is de hoogte 8 dM, terwijl de opstaande
zijden 17 en 12 dM zijn. Bereken in millimeters nauw-
keurig de grondlijn van dezen driehoek. (Er komen twee
antwoorden).
16. Van een driehoek zijn twee zijden 8 en 13 centimeter,
terwijl de ingesloten hoek 60 graden bevat. Bereken de
derde zijde in millimeters nauwkeurig.
17. Bereken in 2 decimalen nauwkeurig de grootste zijde van
een stomphoekigen driehoek, als de overstaande hoek 120
graden bevat, en de andere twee zijden 21 en 28 zijn.
18. Bewijs, dat een driehoek rechthoekig is, als een zijde
middelevenredig is tusschen haar projectie op een andere
zijde en deze zijde zelf.
19. Van twee evenwijdige lijnen zijn de projecties op een zelfde
lijn 8 en 11. Als de lengte van de eerste 14 is, wat is
. dan de lengte van de tweede'?