Boekgegevens
Titel: Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8937
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202958
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
w
fem

19
7. Om den afstand te bepalen van de punten A en B,
waartusschen een vijver ligt, heeft men gemeten BC = 44DM,
JC = 11DM en de lijn ba, die, door hoek b gelijk te maken
aan B, evenwijdig getrok-
P-... ken is met BA, 9DM. Be-
i reken hieruit, hoe lang
AB is.
8. Als p en r gegeven
rechte lijnen zijn, vraagt
men rechte lijnen te con-
strueeren, waarvan de leng-
ten worden voorgesteld door
: r
en
9. In een' driehoek is eene lijn getrokken , die evenwijdig loopt
met eene zijde. Als de eene zijde daardoor in 2 stukken
wordt verdeeld, lang 9 en 6 cM, hoe groot zijn dan de
stukken, waarin de andere zijde, lang 36 cM, door do
evenwijdige lijn wordt verdeeld ?
10. Bepaal drie rechte lijnen, waarvan de som gegeven is en
die zich moeten verhouden als drie gegeven rechte lijnen
Gelijkvormige driehoeken.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Volgens welke eigenschap zijn twee rechthoekige driehoe
ken gelijkvormig, als zij een scherpen hoek gelijk hebben"?
Construeer twee gelijkvormige driehoeken.
Volgens welke eigenschap zijn twee gelijkbeenige driehoeken
gelijkvormig, als zij een hoek aan de grondlijn gelijk hebben?
Bewijs, dat twee driehoeken gelijkvormig zijn, als de hoekpun-
ten van den oenen de ?ijden van den anderen middendoor
deelen.
Hoe verhouden de omtrekken van die twee driehoeken zich ?
De evenwijdige zijden van een trapezium zijn 5 en 9 en