Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
r>8
Veertiende Gesprek.
De Vader, Frederik.
De V. Welnu, mijn zoon!
kent gij de les, welke ik u
opgegeven heb ? Hoeveel
jaargetijden hebben wij?
F. Wij hebben er vier: de
lente, den zomer, den
herfst en den winter.
De V. Noem de twaalf maan-
den van het jaar.
F. Januari, Februari, Maart,
April, Mei, Juni, Juli,
Augustus, September, Octo-
ber, November, December.
De V. Hoeveel weken ma-
ken deze maanden mei
elkander uit.
F. Twee en vijftig.
De V. Hoeveel dagen zijn
er in eene week?
F. Zeven: Zondag, Maandag,
Dinsdag, Woensdag, Don-
derdag , Vrijdag, Zaterdag.
De V. Hoeveel in eene maand?
F. Acht en twintig, negen
en twintig, dertig of een
en dertig.
Quatorzième Conversation.
Le père, Frédéric.
Le P. Eh bien, mon fils !
sais-tu la leçon, que je t'ai
donnée ? Couéien de sai-
sons avons-nous ?
F. Nous en avons quatre:
le printemps, l'été, l'autom-
ne et l'hiver.
Le P. Nomme les douze mois
de l'année.
F. Janvier, Février, Mars,
Avril, Mai, Juin , Juillet,
Août, Septembre, Octobre,
Novembre, Décembre.
Le P. Combien de semaines
ces mois font-ils ensemble?
F. Cinquante-deux.
Le P. Combien la semaine
a-t-elle de jours?
F. Sept : Dimanche , Lundi,
Mardi, Mercredi, Jeudi,
Vendredi, Samedi.
Le P. Combien unmoisena-t-il?
F. Vingt-huit, vingt-neuf,
trente ou trente et un.