Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
31)
Ztl/üandxye Noms substantifs. Werkwoorden. Verbes.
nnamicoorden.
Zondag. Dimanche. vergeten. oublier.
Maandag. Lundi. reizen. voyager.
Dinsdag. Mardi. wandelen. se pro7nener.
W^oensdag. Mercredi. schrijven. écrire.
Donderdag. Jeudi. werken. travailler.
Vrijdag. Vendredi. aankomen. arriver.
Zaterdag. Samedi. vertrekken. partir.
Paschen. Pâques. uitgaan sortir
Pinksteren. Pentecôte. verzoeken. inviter.
Kersmis. Noël terugkeeren. retourner.
Nienwjaarsdag./^e jour de Van. terngkomen. revenir.
Ik liol) <le (lagen der week
opgenoemd.
Gij hebt den Zondag verg(!len.
Hij heeft op Maandag gereisd.
Wij hebhen op Dinsdag ge-
wandeld.
Gij hebt, (»p Woensdag ge-
sclireven.
Zij hebl)en op Donderdag ge-
werkt.
Ik ben oj) Vrijdag aangekomen.
Gij zijt op Zaterdag vertrokken
Zij is op Paschen nitgegaan.
Wij zijn op Pinksteren ver-
zocht.
fai nommé les jours de la
semaine.
Tu as ovblié le Dimanche,
Il a voyuffé le Lundi.
Nous nous sommes promenés
le Mardi.
Vous avez écrit le Mercredi.
ils ont travaillé le Jeudi.
Je suis arrivé le Vendredi.
Tu es parti le Samedi.
Elle est sortie à pdgves.
Nous sommes invités à pen^
tecôle.