Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
Zelfstandig e Noms substantil's. Herktnoorden. Verbes.
naamwoorden.
De wagen. Ie chariot. mennen. mener.
De zeis. la faux. s(;herpen. aiguiser.
Het vee. Ie bétail. grazen. brouter.
Het paard. Ie cheval. grinniken. hennir.
De koe. la vache. loeien. mugir.
Het kalf. Ie veau. huppelen. bondir.
Het schaap. la brebis. blaten. bêler.
De geit. la chèvre. klauteren. grimper.
Het varken. Ie porc, cochon, knorren. grogner.
Dt' ezel. l'âne. drinken. boire.
Toen rneri de weide gemaaid
had.
Nadat men het hooi opgehoopt
had.
Ais hij den wagen gemend liad.
Zoodra iiij de zeis geslepen
had.
Zoodra als het vee gegraasd had.
Toen het paard gegrinnikt had.
Nadat de koe geloeid had.
Zoodra het kalf gehuppeld had.
Zoodra als het schaap geblaat
had.
Als de geit geklauterd had.
Toen het varken geknord had.
Nadat de ezel gedronken had.
Lorsqu'on eut fauché la prai-
rie.
Après qu'on eut entassé le
foin.
Quand il eut mené le chariot.
Aussitôt qu'il eut aiguisé la
faux.
Dès que le bétail eut brouté.
Lorsque le cheval eut henni.
Après que la vache eut mugi.
Dès que le veau eut bondi.
Aussitôt que la brebis eut
bêlé.
Quand la chèvre eut grimpé.
Lorsque le cochon eut grogné.
Après que l'âne eut bu.
N.