Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
De moeder
dochter.
De grootvader bestrafte het
kind.
De oom vertroostte de nicht
De moei bemoedigde den neef.
De kleinzoon beweende den
grootvader.
De neef verachtte den luiaard.
De nicht eerbiedigde den oom.
De neef volgde den meester.
De nicht zocht den neef.
De meester onderwees den
leerling.
De leerling vereerde den
meester.
vermaande de La mère exhorta la fille.
Le grand-père corrigea l'en-
fant.
L'oncle consola la nièce.
La tante encouragea le neveu.
Le petit-fils pleura le grand-
père.
Le neveu méprisa le paresseux.
La nièce respecta l'oncle.
Le cousin suivit le maître.
La cousine chercha le cousin.
Le maître instruisit ledisciple.
Le disciple révéra le maître.
30. LES.
Zelfstandige Noms substantifs. Jferktooorden, Verbes.
naamwoorden.
Een schoen- un cordonnier, schoenen lap- ressemeler des
maker. pen. souliers.
Een kleerma- un tailleur. de maat ne- prendre la
ker. nien. mesure.
Een schrijn- un menuisier, lijmen. coller.
werker.
Een timmer- un charpen- hout zagen, scier du bois.
man. tier.
Een loodgieter, un plombier, gieten. fondre.