Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
De koude versterkt het li- Le froid fortifie le corps.
chaam.
De hitte doet de vruchten La chaleur fait mûrir les
rijpen. fruits.
18. LES.
Noms substantifs.
un homme.
une femme,
un enfant,
un garçon,
une fille,
une vieille
femme,
un nourrisson,
un père,
un fils,
une fille,
un tuteur,
une amie.
Een man beminde een mei.sje.
Eene vrouw zoogde een kind.
Een kind vreesde voor de koude
Een jongen leerde eene les.
Een'meisje werkte aan kant.
Zelfstandige
naamwoorden.
Een man,
mensch.
Eene vrouw.
Een kind.
Een jongen.
Een meisje,
Eene oude
vrouw.
Een zuigeling.
Een vader.
Een zoon.
Eene dochter.
Een voogd.
Eene vriendin.
Werkwoorden. Verhei
beminnen. aimer.
zogen.
vreezen.
leeren.
werken.
slapen.
zuiaren.
nourrir, allaiter.
craindre.
apprendre.
travailler.
dormir.
prendre le sein.
roepen. appeler.
gehoorzamen, obéir.
zuchten. soupirer.
bevelen. ordonner.
zich beklagen, se plaindre.
Un homme aimait une fille.
Une femme allaitait un enfant.
Un enfant craignait le froid.
Ungarçon apprenait une leçon.
Une fille travaillait à de la
dentelle.