Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
Ik zal het vaste land door- J'aurai parcouru le continent.
reisd hebben.
Gij zult den vuurberg bewon- Tu auras admiré le volcan.
derd hebben.
Hij zal het kasteel belegerd U aura assiégé le château.
hebben.
Wij zullen de stad beschoten Nous aurons bombardé la
hebben. ville.
Gij zult de vesting overgege- Vous aurez rendu la citadelle.
ven hebben.
Zij zullen het meer bevaren Ils se seront promenés sur
hebben. le lac.
15. LES.
Zelfstandige Noms substantifs. Werlrwoorde*. Verbes.
naamwoorden.
Een tuin. un jardin. wandelen. se promener.
Eene bloem. une fleur. plukken. cueillir.
Eene roos. une rose. aanbieden. offrir.
Een bloembed. un parterre. begieten. arroser.
Een ruiker. un bouquet. maken. faire.
Eene lelie. un lis. teekenen. dessiner.
Eene koren- un bluet. zaaien. semer.
bloem.
Eene hark. un râteau. harken. râteler.
Eene spade. une bêche. spitten. bêcher.
Een pad. un sentier. schoffelen. râcler.
Een boom. un arbre. snoeien. tailler.
Onkruid. de l'ivraie. uitwieden. sarcler.