Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
13. L E S.
Zelfstandige
naamwoorden.
Kaarten.
Knikkers.
Tollen.
Kegels.
Stelten.
Een boog.
Een vlieger.
Een bal.
Een phiimbal.
Een hoepel.
Een hobbel-
paard.
Een dambord
Noms substantifs. Werkwoorden.
des cartes.
des chiques.
des marbres.
des toupies.
des quilles.
des êchasses.
un an.
un cerf-volant.
une boule,
à
un volant,
un cerceau,
un cheval de
bois,
un damier.
spelen,
knikkeren.
tollen.
kegelen.
loopen.
spannen.
oplaten.
kaatsen.
paletten.
hoepelen.
hobbelen.
Verbes.
jouer.
jouer aux chi-
ques [marbres.)
jouer à la toupie,
jouer aux quilles,
marcher,
tendre.
faire monter,
jouer à la paume,
jouer au volant,
jouer au cerceau,
se balancer.
Ik zal op de kaart spelen.
Gij zult knikkeren.
Hij zal tollen.
Wij zullen kegelen.
Gij zult op stelten loopen.
Zij zullen eenen boog spannen.
Ik zal eenen vlieger oplaten.
Gij zult kaatsen.
Zij zal paletten.
Wij zullen hoepelen.
dammen. jouer aux dames.
Je jouerai aux cartes.
Tu joueras aux chiques.
Il jouera à la toupie.
Nous jouerons aux quilles.
Foms marcherez sur des
échasses.
Ils tendront un arc.
Je ferai monter un cerf-volant.
Tu joueras à la paume.
Elle jouera au volant.
Nous jouerons au cerceau.