Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
Een sluier. un voile.
Ik had eene jurk gehad.
Gij hadt een kleed gekocht.
Zij had een' rok gedragen.
Wij hadden eenen onderrok
verkocht.
Gij hadt een nachtjak genaaid.
Zij hadden eenen borstrok
ontvangen.
Ik had eene onderbroek gehad.
Gij hadt een hemd geplooid.
Zij had eene muts gestreken.
Wij hadden schoenen geboord.
Gij hadt kousen gemaasd.
Zij hadden eenen sluier ge-
dragen.
J'avais eu un fourreau.
Tu avais acheté un habit.
Elle avait porté tine jupe.
Nous avions vendu un jupon.
Vous aviez cousu une cami-
sole de nuit.
Us avaient reçu une camisole.
J'avais eu un caleçon.
Tu avais plissé une chemise^
Elle avait repassé un bonnet.
Nous avions bordé des souliers.
Vous aviez ravaudé des bas.
Elles avaient porté un voile.
12. LE 8.
Zelfatandige Noms substantifs. Werlaoorden. Verbes.
naamwoorden.
Een mans- un habit. snijden. tailler.
kleed. knoopen. boutonner.
Eene broek. une culotte. mangelen. calandrer.
Een vest. un gilet. verzolen. ressemeler.
Eene das. une cravatte. stoppen. raccommoder.
Laarzen. des bottes. bemorsen. salir.
Sokken. des chaussons. versmelten. fondre.
Een hoed. un chapeau. verruilen. échanger.