Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ik. dronk water.
Gij schonkt bier.
Hij dronk thee
Wij zetleden koffie.
Gij taptet wijn.
19
tlED,WS«jONO.OTOPV.
dàla bière.
if jîi 111 ifll Tfli'
Nous fîmes du café.
Vous tirâtes du vin.
Zij maakten citroenwater ge- Ils préparèrent de la limo-
reed.
Ik bood amandelmelk aan.
Gij onthaaldet op punch.
Zij stookte jenever.
Wij weigerden brandewijn.
nade.
J'offris de l'orgeat.
Tu régalas de punch.
Elle distilla du genièvre.
Nous refusâmes de l'eau de vie.
Gij maaktet chocolade klaar. Vous apprêtâtes du chocolat.
Zij stortten melk. Elles répandirent du lait.
10. LUS.
Ztlfstandige Noms sttbataatifa. Werkwoorden. Verbes.
naamwoorden.
Wol. de la laine. wasschen. laver.
Zijde. de la soie. spinnen. filer.
Katoen. du coton. breien. tricoter.
Garen. du fil. twijnen. retordre.
Laken. du drap. weven. tisser.
Satijn. du satin. voeren. doubler.
Lint. du ruban. beleggen. garnir.
Kant. de la dentelle. werken. travailler.
Neteldoek. delamousseline. scheuren. déchirer.
Leder. du cuir. verven. teindre.
Linnen. de la toile. J)leeken. blanchir.
Stroo. de la paille. vlechten. tresser.
—U