Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
Zelfstandige Noms sabstantifa. Werkwoorden. Verbes.
naamwoorden.
Een spelden- une pelote, leenen. emprunter.
kussen.
Werk. de l'ouvrage, uitscheiden, quitter.
Spelden. des épingles, vaststeken, attacher.
Naalden. des aiguilles, insteken. enfiler.
Garen. du fil. naaien. coudre, v
Een naaikistje omverwerpen. Renverser une boîte a pelote.
Op een borduurraam spannen. Tendre sur un métier à broder.
Eene tamboureernaald breken. Casser un crochet.
Op een knooppennetje kno- Faire du filet sur un moule.
pen.
Een knoopnaaldje verliezen. Perdre une navette.
Met eene schaar knippen. Couper avec des ciseaux.
Eenen naaldenkoker oprapen. Ramasser un aiguillier.
Een speldenkussen leenen. Emprunter une pelote.
Met het werk uitscheiden.
Met eene speld vaststeken.
Eene naald insteken.
Met garen naaien.
Quitter l'ouvrage.
Attacher avec une épingle.
Enfiler une aiguille.
Coudre avec du fil.
4. LES.
Zelfstandige
naamwoorden.
De school.
Een boek.
Eene lei.
Noma substantifs.
l'école,
un livre,
une ardoise.
Werkwoorden.
blijven.
lezen.
schrijven.
Verbes.
rester.
lire.
écrire.