Boekgegevens
Titel: Natuurkennis voor de volksschool
Deel: I Planten en dieren
Auteur: Scheepstra, H.; Walstra, W.
Uitgave: Groningen [etc.]: Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1035
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202946
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen, Biologie: zoölogie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Dierkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuurkennis voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
77
hongerige magen Ie vullen. Voortdurend vliegen ze af en
aan, om voedsel te tialen en te brengen Dat voedsel bestaat
aanvankelijk uit wormen, kevers en andere kleine dieren,
later uit kikvorschen, visschen en muizen. Zoodra de jongen
groot zijn, krijgen ze van de ouden les in 't vliegen Ze
oefenen zich daarin, door onophoudelijk met de vleugels te
slaan. Maken ze goede vorderingen, dan komt er aan het
vroolijk geklepper der ouden geen einde.
De ooievaar is een deftige vogel. Vooral komt zijn schoon-
heid uit, als hij op zijn blanke wieken zweeft over veld en
weide. De punten dier wieken zijn zwart. De roode pooten
en de roode snavel steken aardig af bij het veerenpak. De
pooten, de snavel en de hals zijn lang. Bij 't zoeken van zijn
voedsel komt hem zulks uitstekend te pas. Ilij is niet bang
voor een waterplas. De ooievaai' is een waadvogel oï steltlooper;
zijn pooten heeten waadpoolen. Tusschen de drie teenen, die
naar voren wijzen, zitten kleine vliezen; de teen, die naar
achteren staat, is niet met de overige verbonden.
In 't begin van Augustus wordt de ooievaar onrustig: de
tijd van vertrek is dan voor hem gekomen. In groote menigte
komen de ooievaars op een weide samen. Eenigen tijd be-
raadslagen ze over de verre reis, die ze ondernemen zullen.
Oude en zwakke ooievaars worden buiten gesloten. Eindelijk
verheffen ze zich onder luid geklepper, beschrijven groote
kringen in de lucht en vliegen heen naar 't zoele Zuiden.
De ooievaar is een trekvogel.
OPGAVEN.
1. In de maand.....keert de ooievaar terug uit het.....,
waar hij den.....heeft doorgebracht. 2. Dan bouwt hij zijn nest