Boekgegevens
Titel: Natuurkennis voor de volksschool
Deel: I Planten en dieren
Auteur: Scheepstra, H.; Walstra, W.
Uitgave: Groningen [etc.]: Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1035
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202946
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen, Biologie: zoölogie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Dierkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuurkennis voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
Dit is wel waard, dat we er wat nader kennis mede maken.
Een zaadje van een klaproos is zoo onnoozel klein, dat we
de deelen ervan niet nauwkeurig kunnen zien. Een appelpit
is grooter; daarmee zou het beter gaan. Maar de deelen van
een groote boon zijn het grootst; die kunnen we het best
onderscheiden. Het zou anders vrij onverschillig zijn, welke
van de drie we namen: de
zaadjes komen veel met
elkander overeen.
Zulk een boon gelijkt wel
wat op een gesloten doosje,
dat geheel gevuld is. Het
doosje is de zaadhuid; wat
erin zit, is de kiem. Die
kunnen we gemakkelijk in
twee helften verdeelen, welke
met vlakke zijden tegen el-
kaar liggen. Ze dragen den
naam van zaadlobben. Ze
zitten slechts op één plaats
aan elkaar vast. Bekijk die
plaats eens goed van nabij.
Ge zult dan een paar zeer
kleine blaadjes met een klein stengeltje of worteltje opmerken.
Thans zijn ze nog wit, evenals de zaadlobben.
Laten we nu eens een boon bezien, die reeds eenige dagen
in vochtige aarde heeft gelegen. De zaadhuid is gebarsten,
en de zaadlobben zijn een weinig vaneen gegaan. Het kleine
worteltje is grooter geworden en naar beneden gedrongen;
ook de kleine blaadjes komen te voorschijn en ontplooien