Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
w
46
15. Vul in:
1,2 dA = . . M'. 0,9 HL = ... S.
0,9 DA = ... cA. 2,4 DS = ... DL.
0,3 HA = ... DM'. 25 dL = ... dS.
16. Een rechthoek is 3f dM lang en 2| dM breed. Hoe be-
rekent ge zijne oppervlakte?
17. Van zeker kapitaal krijgt A het -j^, B het | van de
rest en C het overblijvende of 3360 gld. Hoeveel ont-
ving A?
18. Bereken den omtrek van eene rechthoekige bleek, die
18 M lang en 2,7 are groot is.
19. Koos deelt zeker getal door 20 en vermenigvuldigt daarna
het komende quotiënt met 16. Als zijn produkt met het
oorspronkelijke getal 9,2 verschilt; vraagt men naar dat
getal.
20. A kan een tuin, groot 144 M', in 2 en B in 3 dagen
omspitten. In hoeveel dagen kunnen ze samen een tuin
omspitten, die 32 M lang en 30 M breed is?
21. A kan een' weg in 12 en B in 20 uur afleggen. Als ze
elkaar gelijktijdig te gemoet gaan; na hoeveel uur zullen
ze elkaar dan ontmoeten?
Welk deel heeft ieder dan van den weg afgelegd?
22. Geef het ontbrökende op:
3,2 HL = .. . cS. 1,4 cS = . .. cM'.
0,9 M' = 90 . .. 240 dL = . .. S.
6,7 mS == 670 . .. 0,75 DS = 750. ..
23. Deelt men zeker getal door 10, zoo is het quotiënt 13,5
kleiner dan het deeltal. Welk is dat getal?