Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
. /r /
45
6. In eene gang, läng 10 en breed M, liggen 75 stee-
nen, die ieder 5 dM lang zijn. Hoeveel M bedraagt de
omtrek van al die steenen?
7. A is 12 jaar ouder dan B. Over 7| jaar kunnen ze sa-
men lOö jaar tellen. Hoe oud is A thans?
8. Een handelaar verkoopt eene partij suiker voor 396 gld
en wint -i van den inkoop. Bereken den inkoop der
partij. ,
/
9. A kan zekër werk in en B in 21 dag afmaken. Welk
deel doet ieder per dag? Welk deel samen per dag?
In hoeveel tijd kunnen ze het met hun beiden gereed
maken ?
Hoeveel maal kunnen ze samen in 40 dagen het werk
voltooien ?
In het ... deel van 40 dagen is in ... dagen kunnen
ze dus het werk verrichten?
10. A kan zeker werk in en B in -J- dag afmaken. Hoe
berekent ^e nu, in hoeveel tijd ze het samen kunnen doen ?
11. Een manufacturier verkoopt van een stuk linnen het ^^
en 15 meter en houdt nu nog het | en 11 meter over.
/ Hoe lang was het 0,625 deel van het stuk ?
< /T- ï '
12. Hoe laat moet de zon opkomen, zal de dag 3 uur lan-
ger duren dan de nacht?
13. Van een' rechthoek is de omtrek 4 dM. Als lengte en
breedte 4 cM verschillen; bereken dan, hoeveel cM» de
oppervlakte van den rechthoek bedraagt.
14. Van een' tuin is de breedte in den halven omtrek 3maal
begrepen. Als de lengte 15 M meer bedraagt dan de
breedte; hoeveel are is die tuin dan groot?