Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
9. Een bak kan 240 liter bevatten. Als hij 5 dM diep is:
kunt ge dan wel beredeneeren, hoeveel dM» zijn bodem
groot is?
10. Een koopman verkoopt een stuk katoen tegen | gulden
den meter en wint zoodoende in 't geheel 9 gulden.
Had hij den meter tegen 0,55 gld verkocht, dan zou hij
9 gulden verloren hebben. Hoe lang was dat stuk?
11. Iemand geeft van zyn geld eerst 0,2 deel uit. Daarna
van de rest 0,25 deel en houdt nu nog 33 cent over.
Hoe rijk was hij eerst?
12. Geef het onebrekende op:
8 KL = ... M'. 0,18 cS = .. . dM'.
1,6 dS = ... HL. 7,2 dM' = ... dS.
0,2 DS = ... DL. 2,4 mS = . .. cM'.
§ 5.
1. Hoeveel is het vierde deel van f minder dan 4 X
2. Twaalf arbeiders verdienen in 5 weken f 450. Hoeveel
verdienen dan 18 arbeiders in 15 weken?
3. Als men van zeker getal 36 aftrekt, is het y'^ van de
rest 37,5. Hoeveel is dat getal kleiner dan 300?
4. A, B en C moeten ƒ6000 zóó verdeelen, dat A zooveel
bekomt als B en C samen, terwijl het aandeel van B
3maal zooveel bedraagt, als dat van C. Hoeveel bekomt
deze?
5. Geef het ontbrekende op:
• • • X + 3|) = 77|.