Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
10. Hoeveel cM' is 0,75 dM' — 0,57 dM' ?
,, „ „ 0,6 dM' — 0,456 dM'?
11. Wanneer ge 0,7 bij zekere breuk telt, bekomt ge 11 maal
die breuk. Zeg nu, welke breuk ik bedoel.
12. Van eene som gelds ontvangt A het | deel en 9 rijks-
daalders en B 67,5 gld. Hoeveel rijksdaalders is de ge-
heele som waard?
§ 2.
1. Iemand legt 5 kuben, ieder 1 dM lang, op ééne rij in
de lengte, 4 rijen in de breedte en 3 zulke lagen op
elkaar.
a. Hoeveel dM' liggen in ééne laag?
ö. Hoeveel dM' gebruikt hij in 't geheel?
c. Hoe lang is de stapel? Hoe breed? Hoe hoog?
2. Een rechthoekig blok hout is 8 dM lang, 6 dM breed
en dM hoog.
a. Hoeveel dM' kan men bekomen in de lengte, als men
1 dM van de breedte en ook 1 dM van de hoogte neemt?
b. Hoeveel zulke rijen kan men in de breedte bekomen ?
c. Uit hoeveel zulke lagen bestaat het blok hout?
d. Hoeveel dM' bevat het?
3. Hoeveel dM' bevat een blok hout, dat 1 M lang en
breed en 7 dM hoog is?
4. Een bak is van binnen 1 dM lang, breed en diep.
a. Welke kubus zou er juist in passen?
b. Hoeveel dM' kunnen langs één lengtekant van den
bak gelegd worden?