Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
Van een aantal pruimen verkocht eene groentevrouw het
deel op 21 na, waarna ze nog 105 pruimen overhield.
Hoeveel pruimen had ze eerst?
Geef het ontbrekende op:
4,8 are is in 4,8 HM»
6,25 DM» is in 6,25 KM»
12,58 dM» is in 12,58 dA
maal begrepen,
maal begrepen.
9. Een handwerksman verdient in 3 dagen zooveel als hij
in 4 dagen verteert. Als hij wekelijks 12 gld verdient;
in hoeveel weken zal hij dan 12 gld hebben bespaard?
10. AVanneer ge zekere breuk met 9 vermenigvuldigt, wordt
het produkt grooter dan de breuk zelve.
Bereken die breuk.
11. Van welk getal is het | deel evenveel als hetvan 225 ?
12. Van een' tuin, lang 24 en breed 18 M, staat eene schutting
ter hoogte van 2| M.
a. Hoe lang is die schutting?
b. Hoeveel M» bedraagt hare oppervlakte aan eenen kant ?
13. A en B gaan elkander te gemoet op een' weg, die 65
KM lang is. A legt per uur 4|- en B 5| KM af. Na hoeveel
uur zullen ze elkaar ontmoeten en hoeveel heeft ieder
dan van den weg afgelegd?
14. Als men bij het -j^V ^an zeker getal het | van 28 optelt,
bekomt men juist dat getal. Welk getal bedoelt men dan?
15. Een winkelier koopt 120 KG suiker tegen \ gld de KG.
Bij verkoop wint hy op 8 KG zooveel als 2^ KG hem
bij inkoop kosten. Hoe kunt ge den verkoop der partij
berekenen ?