Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
8. Om een' tuin, lang 16,75 en breed 13,25 M, staat eene
schutting ter hoogte van 2| M. Bereken de oppervlakte
der schutting aan ééne zijde.
9. Als de zon om half acht ondergaat; welk deel is dan de
dag van het etmaal?
b. Welk deel de nacht van den dag?
10. A kan een werk in 3| en B in 3^ dag afmaken.
a. Welk deel van het werk doet ieder per dag?
b. Welk deel van het werk doen ze samen per dag?
c. In hoeveel tijd kunnen ze het met hun beiden doen?
cl. In 30 dagen kan A het werk ... maal en B... maal
verrichten.
e. In 30 dagen kunnen zij met hun beiden ... maal
het werk afmaken, derhalve kunnen zij het werk in
het ... deel van 30 dagen is in ... dagen voltooien.
§ 9.
1. De vloer van een kamertje is 2| M lang en 6 M» groot.
Hoe breed is hij?
Op welke manieren kunt ge dit berekenen?
2. Een vierkant is | dM lang. Welk deel is het van 1 dM».
Laat dit door eene teekening op 't bord zien.
Men noemt dit vlak een vierkanten halven dM.
3. Hoeveel dM» is een vierkante halve meter?
Hoeveel M is de omtrek van een vierkanten halven DM?
Hoeveel M» is een vierkanten halven DM?
Hoeveel M» is een halve vierkante DM?