Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
23

3. Een stukje land, groot 18 are, is 36 meter breed. Hoe
lang is het ? "
4. Een boer kocht een stuk land, lang 25 DM en breed
16 DM tegen f 1875 de HA. Wat moest hij er voor
betalen ?
5. Bij een huis behooren twee rechthoekige bleekjes, die
even groot zijn, doch een verschillenden vorm bezitten.
Het eene is 12 M lang en 10 M breed. Het andere is
8 M breed; hoe lang is dat dan?
6. Om een' tuin, lang 23 en breed 17 meter, is een pad
ter breedte van 1 meter. Hoe groot is die tuin met
het pad?
7. 'Hoeveel meter is een rechthoekige tuin lang, die 18 M
breed en 4 A 50 cA groot is?
8. In een gang, lang 12 en breed 1 M, liggen vierkante
marmersteenen, die 5 dM lang zijn.
a. Hoeveel steenen liggen op ééne rij in de lengte?
b. Hoeveel zulke rijen liggen er in de breedte?
c. Hoeveel steenen liggen in die gang?
d. Kunt ge het ook nog op eene andere manier bere-
kenen ?
9. Een rechthoekig aardappelveld is evenveel DM lang, als
het M breed is. Als zijn omtrek 4,4 HM bedraagt;
bereken dan, hoeveel are de oppervlakte er van is.
10. Van een' rechthoekigen boomgaard is de lengte l|maal
de breedte. Als lengte en breedte 0,7 DM verschillen;
hoe groot is dan zijne oppervlakte?