Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
<
6. De omtrek van eene lei bedraagt 1,4 M. Als zij 4 dM
lang is; hoe groot is ze dan?
7. Van eene bleek is de omtrek 4, DM. zy is 4 meter
meer lang dan breed. Hoeveel M^^bedraagt hare opper-
vlakte? '
8. Eene kaart is 2maal zoo lang als breeij. Als haar om-
trek 4,8 M bedraagt; bereken dan, hoeveel dM' hare
oppervlakte is. '
9. In eene gang, lang 12 en breed 1 meter, liggen vier-
kante marmersteenen, die ieder 5 dM breed zijn. Hoe-
veel steenen liggen in die gang? /y
10. Beproef het ontbrekende cijfer op te geven**^
TT + 0,875 = H.
/
y
§ 3.
1. Het vlak van een rechthoekig bord is 56 dM^^oot en
8 dM lang. Hoe breed is dat bord? ^
/
Geef het ontbrekende op:
/
a. Eén strook in de lengte van 1 dM breedte ... X 1
dM'.
h. De geheele oppervlakte is 56 dM' of ... X • • • dM',
dus is het ook ... X 1 dM = ... dM breed.
2. De vloer eener school is 90 M' groot. Hoe breed is die
vloer, als hij 15 M lang is?