Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
■li-
16
4. Eene boerin kocht 1,75 KG thee en betaalde daarvoor
f 1,25. Hoeveel moet men naar dien prijs voor 0,25
KG betalen?
Bereken dit op eene heel eenvoudige wijze.
5. Als men van zeker getal 3,25 aftrekt, is de rest het
0,09 deel van 75. Hoe groot is dat getal?
6. Voor 0,75 KG koffieboonen betaalt iemand 0,90 gld.
Hoeveel is dan de waarde van 2,5 : 0,25 KG?
7. Een winkelier heeft olie van 42 gld den HL. Wat zou
men naar dien prijs voor 24500 dL moeten betalen?
8. Hoeveel is: (16 X 5,62-5) — (10 X 0,85)?
9. Als 2 KG boter evenveel kost als 5 KG suiker en 2 KG
suiker even duur is als 3 KG rijst; hoeveel kost dan
1 KG boter, als 1 KG rijst 0,3 gld kost?
10. In een vat was 70 liter petroleum. Eerst werd er 0,3
deel uit verkocht en later van de rest 0,7 deel. Als er
de tweede maal voor /'1,75 meer uit verkocht was dan
den eersten keer; voor hoeveel gulden petroleum was
er dan in 't vat?

§ 11.
1. Van eene som gelds werd eerst uitgegeven 0,4 deel en
daarna van de rest 0,4 deel. Als men toen nog 72 gld
overhield; hoe groot was dan de rest?
b. Hoe groot de geheele som?
2. Welk deel van een gouden tientje is 6,25 gulden?
„ n 11 II n n n 3,375 „ ?
3. Hoeveel honderdste deelen zijn er in 255 duizendste
deelen meer dan in 2,5 tiende deelen?
L.