Boekgegevens
Titel: Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Deel: VI Tiendeelige breuken
Auteur: Raadersma, H.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1888
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7497
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202926
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het rekenen uit het hoofd in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
'' b. Het 0,03 deel van 14 gulden; het 0,7 deel van 1,2
gulden.
c. Hoeveel is het 0,4 deel van 0,7; het 0,35 deel van 4?
§ 8.
1. Hoeveel millimeters zijn 0,002 M; 0,017 M; 0,625 M;
5,875 M?
2. Beproef het ontbrekende op te geven:
0,007 MM = . . . M. 0,029 HM = .. . cM.
0,009 KL = . . . dL. 0,425 MG = ... DG.
0,013 KG = . . . dG. 3,875 HL = . .. cL.
3. Hoeveel duizendste deelen van een' gulden is een halve
cent?
h. Spreek op verschillende wijzen uit:
8,625 gulden; 17,875 meter; 39,546 HL; 47,369KG.
4. 32 X 0,625 gulden = 32 X 2i kw = 8 X ^ gld =
4 X 5 = 20 gld.
49 X 0,875 gulden = 48 X kw + 1 X kw.
36 X 0,355 „ = 36 X H kw — 36 X 2 cent.
28 X 0,085 „ = 14 X 17 cent of 28 X 10 cent —
28 X li cent.
h. Een koopman koopt 64 meter laken tegen f 5,625
den meter. Hoeveel moet hij betalen?
5. Een handelaar koopt 32 HL peren a f 2,365. Hoeveel
moet hij er voor betalen?
^6. Als men voor den liter erwten 0,165 gld betaalt; hoe-
veel moet men dan voor 4 DL 4 L geven?