Boekgegevens
Titel: Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Auteur: Raaf, Harm de
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1883
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7455
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202916
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
duidelijk bij het schijnsel van de lantaren den rook uit de Huiler
stoomboot onderscheiden kan; een weinig links van de plaats,
waar de rook in kringen opstijgt, ligt het vreeselijk Vogelzand ,
dat reeds menig vaartuig met zijn wakkere bemanning in zijn
vloedzand verzwolgen heeft.»
De oude zweeg eenige seconden, in gepeins verzonken; daarna
vervolgde hij op gedempten toon: «Nooit zal ik den schrikkelij-
ken nacht vergeten van den laatsten Augustus 1828. — 's Na-
middags was er uit het noordwesten een storm opgestoken, zoo
wild, zoo vreeselijk, als ik hier nog niet beleefd heb. De zwaarste
steenen aan het strand dansten op de golven als stukken kurk
en schuurden over elkander, als zouden ze tot zand gemalen
worden. De heele zee scheen te koken; men zag geen vlakte,
geen golven meer, niets dan vliegend schuim; de branding brulde
en woelde tusschen de klippen door, dat we op den hoogen oever
bij den vuurtoren kletsnat werden van de spatten. Daar stonden
wij, mannen en vrouwen, en staarden naar de monding van den
Wezer, waar zich een verloren schip vertoonde, dat vruchteloos
met den storm worstelde. Meer en meer dreef het uit zijn koers
in oostelijke richting en was reeds voorbij Neuwerk nabij het
gevreesde Vogelzand, — daar snelde plotseling een vrouw met
loshangende haren op ons toe en riep: «Redt, redt mijn man,
uw vriend! Kent ge de Dorothea niet meer?» En waarlijk! zoo
was het; het oog der liefde had scherper gezien dan wij, oude
zeebonken, — 't was de Dorothea , kapitein Jakob Jaspers, een
onzer flinkste kerels; het schip kwam van Bremen. De arme
vrouw jammerde, wrong de handen, sloeg ze in hair wanhoop
om onze knieën en smeekte om redding; wij moesten onze oogen
afwenden. Ach zij wist zoo goed als wij, dat bij zulk weer geen
gewone visschersboot zee bouwen kon, en een andere lag niet
in de haven. — Steeds nader kwam het vreeselijke oogenblik;
de Dorothea kon nog maar weinige kabellengten van het Vogel-
zand zijn. Daar lag op eens het vaartuig stil; de zeilen vielen
neer. De stoutmoedige kapitein had te midden der branding het
anker uitgeworpen; als dit vatte en hield, was het schip gered.
In ademlooze spanning blikten honderd oogen naar de plek; de