Boekgegevens
Titel: Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Auteur: Raaf, Harm de
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1883
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7455
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202916
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Vorige scan Volgende scanScanned page
f'3
Doch wat is dat? Is uw hand met tooverkracht begaafd, zoo-
dat ze het gestorvene kan opwekken? Er komt beweging in de
doode massa; de rupsen zijn herleefd.
Maar schijn bedriegt zoo dikwijls, en ook hier. Wat u dood
scheen, was schijndood. Wat uw warme hand hier heeft teweeg-
gebracht, zou na eenige weken de voorjaarszon hebben gedaan.
Dan verlaat de familie, welke wij nu nog bijeen vinden, haar
winterverblijf en verspreidt zich langs takken en twijgen, evenwel
niet met het doel om goed te doen , maar om kwaad te stichten.
Nauwelijks kijken de jonge blaadjes uit hun omwindsels, of zij
worden bedreigd door de rustelooze kaken dier kleine veelvraten.
Niets van hetgeen er malsch aan is wordt gespaard; alleen de
taaie bladnerven blijven als een dor geraamte over. Zelfs de
schoone, welriekende bloesems vinden geen genade.
Geen wonder, dat de boomkweeker weinig op zulke gasten
gesteld is. Hij verklaart hun den oorlog en geeft geen pardon.
Met los kruit schiet hij hun nesten stuk, of hij besprenkelt ze met
petroleum, waartegen de diertjes niet bestand zijn. Maar hij zou
zich veel moeite —en schade dikwijls ook ! — kunnen besparen, door
bijtijds, d. i. in den herfst of den winter, de onheilspellende bla-
deren te verwijderen. Want in Juli of Augustus reeds heeft de
moeder van het kleine gespuis — een vlinder, die er uitziet als
't bekende koolwitje — haar eieren aan de onderzijde dier bla-
deren gelegd. In September op zijn laatst komen de rupsen uit
en beginnen aanstonds haar winterkwartier gereed te maken. Zij
zoeken een blad, omspinnen het en hechten Vet zoo aan een
twijg; op gelijke wijze handelen ze met een tweede en een derde,
totdat de koude haar in den arbeid stoort en noodzaakt de schuil-
plaatsen op te zoeken. Hier blijven zij nu rustig haar tijd afwach-
ten. De vinnige koude deert haar niet. Alleen wanneer na dooiweer
plotseling een strenge vorst invalt en de takken met ijzel bedekt,
is het meestal met het rupsengebroed gedaan. De boomkweeker
moet echter op die gunstige weersgesteldheid niet te veel ver-
trouwen, maar liever goed uit de oogen kijken bij 't zoeken
naar de vastgesponnen bladeren en deze dan verwijderen.