Boekgegevens
Titel: Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Auteur: Raaf, Harm de
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1883
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7455
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202916
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
wat nieuws, en zelfs in den nacht, als de maan scheen, konden
we alles goed onderscheiden. Op zekeren avond vlogen we over
een groote stad met een heel hoogen toren — dat was Straatsburg,
zei vader; — een oogenblik later spiegelden we ons in een breede
rivier, en daarop ging het over een gebergte met denneboschen.
4Hoor eens, wat een geraas!» zei mijn broertje tot mij, «wat zou
dat wezen?» — «O,» antwoordde moeder, «dat is de waterval
van den Rijn. De rivier stort daar wel zoo diep neder, als een
toren hoog is en maakt een geweld, dat u hooren en zien doet
vergaan j Wij hadden geen tijd om een kijkje te nemen; want
zonder ophouden togen we verder. We vlogen over hemelhooge
bergen, wier toppen blonken als kristal, over diepe kloven en
blauwe meren, en toen kwamen we in een heerlijk land. Daar
was 't nog zonnig en warm en o, zoo fleurig. Schoone steden
lagen er ook en bergen, die rookten als schoorsteenen. Eindelijk
zagen we de zee. Zoover we zien konden, niets dan lucht en
water! 't Werd ons, kleinen, eerst wat benauwd om 'thart; maar
onze ouders spraken ons moed in en troostten ons met de belofte,
dat we weldra zouden uitrusten op een schoon eiland. In de verte
zagen we 't liggen: groote schepen met hooge masten en roc-
kende schoorsteenen voeren af en aan, en op het land zag het uit
als hier in den zomer. Het beviel ons er uitstekend, maar we moch-
ten niet blijven. Toen de gloeiende zonneschijf in 't westen in de
zee zonk, stegen wij opwaarts en vervolgden onze reis. In't oos-
ten verrees de maan en wees ons den weg; want daarheen zetten
we nu koers. Uur op uur verliep; maar het scheen, of er aan die
zee geen einde wou komen. Toch kwam er een einde aan. Op
zekeren morgen riepen de voorsten zoo luid, dat wij 't hoorden:
«Land! land!» — «Daar ligt Atexandrië,» beiden mijn ouders;
«nu zijn we in Egypte.» —Een vreemd land was het, een water-
land. Heinde en ver zagen we niets dan water, water! Steden en
dorpen staken er als eilanden uit. Vreemdsoortige vaartuigen dreven
erover, door vreemde menschen bestuurd. Zij hadden een bruine
kleur en droegen wijde, bonte kleederen. Vogels waren er in
gansche zwermen : roode flamingo's stapten op hooge pooten naast
pelikanen met dikke snavels. Ook een bloedverwant ontmoetten