Boekgegevens
Titel: Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Auteur: Raaf, Harm de
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1883
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7455
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202916
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
«Och ja, vertellen, vertellen! moeke-lief!» riepen nu de jon-
gen als uit één mond, en de oude zwaluw begon.
«Toen ik nog zoo'n klein ding was, als gij nu zijt, had ik
zes broertjes en zusjes; uw grootouders hadden hun woning ginds
aan het witte huis, dicht bij de kerk. Van hier kunt ge den kerk-
toren met den vergulden haan erop zien. Die woning hebben zij
zelf gebouwd, en ze wonen er nog in; want het is bij ons een
gewoonte, te bewaren, v/at wij hebben. Wij hadden het ouder-
lijke huis lief; want het ging er vroolijk toe. Een heele scliaar
knapen en meisjes bezochten het witte gebouw en kregen er
onderwijs van den goeden ouden meester Vroolijk. De man droeg
den rechten naam: hij kon zich met de kinderen vermaken, dat
het een lust was om het te zien en te hooren. Dat was een gejoel
en gejuich op de speelplaats! Maar in de school ging het ordelijk
toe; ieder deed zijn best om wat goeds te leeren en een braaf
meusch te worden. O , ik denk er nog wel eens aan , hoe mooi
de kinderen zongen ! De meester speelde daarbij op de viool, dat
ons het hart van pleizier overliep en wij mede instemden. Op een
anderen keer hoorden wij, hoe de brave man vertelde van de
aarde, van de linden en zeeën en de menschen en dieren, welke
daarop en daarin women. Wat hoorden wij vreemd op ! Want wij
meenden nog, dat de wereld niet verder reikte dan de plek,
welke wij uit ons nest overzien konden.
In ons huis waren wij kinderen veilig; vader en moeder brach-
ten ons rijkelijk voedsel, en wij hadden niets te doen dan den
snavel te openen. 't Spreekt vanzelf, dat we steeds goedsmoeds
waren en de wereld hielden voor een Luilekkerland. Spoedig
evenwel zouden we ook de gevaren des levens leeren kennen.
Toen we een beetje konden vliegen , wilden we niet voortdurend
meer in het nest zitten, maar deden nu en dan een uitvluchtje.
Moeder ging mee en leerde ons muggen vangen.
Op een schoonen dag speelden we krijgertje op een boomtak,
boven buurmans huis. Toevallig viel mijn oog op den schoor-
steen , die boven het dak uitstak. Welk een schrik! Van achter
dien schoorsteen kwam een ruige kop te voorschijn met een paar
vurige oogen, die op ons gericht waren. Een onuitsprekelijke
4