Boekgegevens
Titel: Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Auteur: Raaf, Harm de
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1883
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7455
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202916
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
ftaaï ge meent, maar komt later tot de onaangename ontdekking,
dat men u met valsche munt heeft betaald. Wie denkt bij de
afbeelding van een walvisch , tenzij hij vooraf ingelicht is, aan
een zoogdier? Welk kind heeft niet eens de vleermuis voor een
vogel gehouden en den aardappel onder de vruchten gerang-
schikt ? Zou het u niet vreeriid in de ooren klinken, als iemand
u vertelde, dat gij van graszaden leeft, zoo goed als de vogels
op het veld? En toch zei hij de waarheid; want onze graansoor-
ten zijn grassen. Weet gij, waar 't van daan komt, dat onze
meeningen dikwijls zoo onjuist zijn? Daarvan, dat we niet goed
uit de oogen kijken, dat we vooral op ^'t verschil letten en de
overeenkomst niet opmerken.
De_ familie der grassen is over de geheele aardoppervlakte —
woestijnen en ijsvelden natuurlijk uitgezonderd — verspreid, en
gerust mag men zeggen, dat er geen nuttiger planten bestaan.
De leden dezer familie zien er echter vaak zóó verschillend uit,
dat een leek ze niet als verwanten zou herkennen. Die, welke
onze weiden in 't voorjaar als met een groen tapijt bekleeden,
hebben zooveel van elkaar, dat we de overeenkomst aanstonds
zullen opmerken. Maar, zooals reeds gezegd is, het zal menigeen
niet invallen, ook de graansoorten onder de grassen op te nemen.
Die lange halmen, die zware, melige korrels, die in den herfst
stervende wortels zijn toch zoo geheel anders dan die kleine
grasscheuten, dat fijne zaad, die elk voorjaar opnieuw ontsprui-
tende zoden.
Zou de knaap, die uit de sloot langs hel weiland een riet
snijdt om er een pijl voor zijn boog van te maken, er wel aan
denken, dat hij straks met een grashalm de musschen zal trachten
dood te schieten, welke de rijpende peulen plunderen?
Het gras, dat hier te lande nauwelijks lang genoeg wordt, om
het haasje voor den zoekenden blik des jagers te verbergen, wordt
in de Russische steppen en de Amerikaan sche prairiën zoo hoog,
dat geheele kudden paarden en koeien er kunnen ronddwalen,
zonder dat men ze ziet.
Nog veel hooger en dikker is het bamboesriet der tropische
gewesten; het is de reus onder de grassen, en onze grasplanten