Boekgegevens
Titel: Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Auteur: Raaf, Harm de
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1883
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7455
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202916
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verscheidenheden voor de hoogste klassen der lagere school: een vervolg op De moedertaal
Vorige scan Volgende scanScanned page
Beschouw haar echter nog maar eens goed; wat merkt ge dan?
Allereerst den kop, van voren toegerust met twee voelers,
beneden met een snuit, welke kort en dik en aan 't einde een
weinig gezwollen is. Merkwaardig zijn de beide groote oogen,
die uit duizenden zeshoekige glaasjes schijnen te bestaan. Boven-
dien heei't ze nog een drietal enkelvoudige oogen op den kop,
welke echter zóó klein zijn, dat gij ze niet opmerkt. Dat ze
goed kunnen zien, wat haar gevaarlijk wezen kan en hiervoor
bijtijds op de vlucht gaan, behoeft u dus niet te verwonderen.
En wanneer ze zich nu toch in het net eener spin laten vangen,
is dit zeker meer te wijten aan verregaande roekeloosheid dan
aan haar slecht gezicht.
Achter den kop bevindt zich het borststuk, voorzien van zes
lange pooten, waarmee de vlieg zich vrij snel voortbeweegt, en
van twee vliezige, geaderde vleugels, die haar gonzend door de
lucht dragen. Elke poot bestaat uit drie deelen, en de voet
weer uit vijf leden, waarvan het laatste gewapend is met twee
klauwen, tusschen welke zich kleine voetballen bevinden, die
een kleverig vocht uitzweeten. Uit dit feit laat zich verklaren ,
dat het diertje zoo gemakkelijk tegen de ruiten op- en neerloopt
en zelfs onderst boven langs de gladde zoldering marcheert.
Het achterlijf, het grootste der drie stukken, is eivormig en
bestaat uit vier ringen; de bovenzijde is donkergrauw geruit, de
onderkant lichtgrijs. Het geheele lichaam, tot de ledematen toe,
is met fijne haartjes bezet.
Ziedaar een korte beschrijving van de kamervlieg; onderzoek
nu zelf eens bij gelegenheid, of ge alle bijzonderheden kunt
vinden. Maar ge behoeft haar daartoe niet te dooden of haar
de vleugels uit te rukken.
Ten slotte ontvangt ge nog een weinig geschiedenis. Het
wijfje van de vlieg legt zeer kleine , maar zeer vele eieren in al
wat licht tot bederf overgaat, ook in mesthoopen; na 2 4 uren
reeds kruipen daaruit kleine, witte larven of maden, die zich
aanstonds aan het tafeltje-wel-bereid te goed doen. Doch die
smullerij duurt niet langer dan 14 dagen: dan is de larve vol-
wassen en verandert in een pop, waaruit na weder 14 dagen de