Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST.
K®. 86.
91
Ik heb dezen morgen te negen uvg 07itheten 1; en -wij zullen
dezen middag 2 te drie ure ete^i 3. Wat mij aangaat, ik heb
nog niet ontbeten, en hen ook 7net voomemejis 4 het te doen.
Znlt gij 't avondmaal met ons houde^i 5? Ik kan niet, ik
bedank u; ik hen mijn woord hvijt 6. Gij lacht 7, Vriend!
gij zijt vrolijk 8. Gij vergist « 9 , ik lach niet. Laeht gij
niet? Hebben zij niet gelagchen? Neen, zij heben geweend
Ween niet, mijn kind! wees liever verheugd 11, Wij moeten
ons altijd heriwieren 12, dat wij sterfelijk zijn. Ja, dit he-
hoorden 12* wij ons te berinneren. Wij hehbe9i ofis verheeld
13, dat hij gelijk had; maar wij hehhen gedwaald 14.
1 to breakfast.
2 afternoon.
3 to dine.
4 do not intend.
5 to sup.
C I am engaged.
7 to laugh.
8 merry.
9 you are mistaken.
10 to weep, verl.
deelw.x wept.
11 joyful.
12 to remember.
12* ought.
13 we bave fancied.
14 we were wrong.
7. Vervoeging van een WederJceerig Werlcwoord.
TO DRESS ONE'S SELF. ZICU AANKLEEDEN.
Indicative mood.
Present tense,
I dress myself,
Thou dress est thyself.
He dresses himself,
IVe dress ourselves.
You dress yourself {yourselves).
They dress themselves.
Imperfect tense,
I dressed myself.
Thou dressedst thyself.
Be dressed himself,
We dressed ourselves.
You dressed yourself {yourselves).
They dressed themselves.
Perfect tense,
I have dressed myself.
aantoonende wijs.
Tegenwoordige tijd.
Ik kleed mij aan.
Gij kleedt u aan.
Hij kleedt zich aan.
Wij kleeden ons aan.
Gij kleedt u aan.
Zij kleeden zich aan.
Onvolmaakt verleden lijd.
Ik kleedde mi] aan.
Gij kleeddet u aan.
Hij kleedde zich aan.
Wij kleedden ons aan.
Gij kleeddet u aan.
Zij kleedden zich aan.
Volmaakt verleden tijd.
Ik heb mij aangekleed.