Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
62.
ENGELSCHE
De werkwoorden worden, over 't algemeen, op vierderlei wijze
vervoegd, als: bevestigend, ontkennend, vragend en vragend-ont'
kennend.
Een voorbeeld van vervoeging, bevestigender wijs, heeft men in
het werkwoord to love, beminnen; — van de drie overige wijzen
zullen wij hier voorbeelden laten volgen :
Vervoeging van een regelmatig werkwoord, ontkennender wijs.
to cover,
DEKKEN.
Indicative mood.
Aantoonende -wijs.
Present tense.
Tegenwoordige tijd.
1 do not cover.
Thou dost not cover.
He does not cover,
We do not cover.
You do not cover.
They do not cover.
Imperfect tense ^
I did not cover,
Thou didst not cover,
He did not cover,
We did not cover.
You did not cover,
They did not cover.
Perfect tense ^
I have not covered.
Thou hast not covered,
He has not covered.
We have not covered.
You have not covered,
They have not covered.
Pluperfect tense,
I had not covered.
Thou hadst not covered.
He had not covered.
We had not covered,
You had not covered.
They had not covered.
Ik dek niet.
Gij dekt niet.
Hij dekt niet.
"VVij dekken niet.
Gij dekt niet.
Zij dekken niet.
Onvolm. verl. tijd.
Ik dekte niet.
Gij dektet niet.
Hij dekte niet.
Wij dekten niet.
Gij dektet niet.
Zi} dekten niet.
Volmaakt verleden tijd.
Ik heb niet gedekt.
Gij hebt niet gedekt.
Hij heeft niet gedekt.
"Wij hebben niet gedekt.
Gij hebt niet gedekt.
Zij hebben niet gedekt.
Meer dan volm. verl. tijd.
Ik had niet gedekt.
Gij hadt niet gedekt.
Hij had niet gedekt.
"Wij hadden niet gedekt.
Gij hadt niet gedekt.
Zij hadden niet gedekt.