Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
ENGELSCHE
Subjunctive mood.
Present tense,
If I love.
If thou love,
he love,
If we love,
If you love,
If they love,
De overige tijden van deze wijze zijn gelijk aan de eerste personen
der zelfde tijden van de aantoonende wijs.
Aanvoegende wijs.
Tegenwoordige tijd.
Indien ik beminne.
Indien gij beminnet.
Indien bij beminne.
Indien wij beminnen.
Indien gij beminnet.
Indien zij beminnen.
Infinitive mood.
Present: to love,
Perfect: to have loved.
Onbepaalde wijs.
Tegenw. tijd: beminnen.
Verled. tijd: bemind hebben,
4, Over het verder gebruik der Hulpioerkwoorden.
De tijden der werkwoorden worden verdeeld in enkelvoudige en
zamengestelde. De enkelvoudige zijn die, welke door 't werkwoord
zelf gevormd worden, zoo als de tegenwoordige, de onvolmaakt ver-
ledene, enz. De zamengestelde zijn die, welke door middel der hulp-
woorden gevormd worden, als: de volmaakte, de meer dan volmaakte
en de toekomende tijden.
In de Engelsche taal, evenwel, zijn de hulpwoorden van zulk een
uitgebreid gebruik, dat men zelfs de enkelvoudige tijden dikwerf met
behulp daarvan vormt; zoo als met io be en 't tegenwoordig deel-
woord, b. V.:
Present tense,
I am dining ,
Thou art dining^
He is dining,
We are dining,
You are dining,
They are dining,
Imperfect tense,
J was diming,
Thou wast dining.
He was dining.
We were dining,
You were dining.
They were dining ,
Ook de twee volgende zamengestelde tijden kan men op deze wijze
vervoegen:
Tegenwoordige tijd.
Ik eet (ben etende, enz.).
Gij eet.
Hij eet.
Wij eten.
Gij eet.
Zij eten.
Onvolmaakt verleden tijd.
Ik at (was etende, eua.).
Gij aat.
Hij at.
Wij aten.
Gij aat.
Zij aten.