Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
ENGELSCHE
imperative mood ,
Let me he »
Be, he thou, or do thou be.
Let him be.
Let us he,.
Be, he you, or ye, or do you he.
Let them be.
gebiedende wijs.
Laat mij zijn.
Wees.
Laat hem zijn.
Laat ons zijn.
Zijt.
Laat hen zijn.
potential mood ,
Present tense,
I may or can be.
Thou mayst or canst he,
Se may or can he.
We may or can he,
You may or can he,
They may or can he.
Imperfect tense,
I might, could, would or should
he^
Thou mighist, couldst, loouldst
or shouldst he,
He might, could, would or
should he ,
We might, could, would or
should be.
You might, could, would or
should be,
They might, could, would or
should he.
Perfect ie)ise,
I may or can have been,
Thou mayst or canst have been\.
He may or can have been.
We may or can have been.
You may or can have been,
They may or can have been.
Pluperfect tense,
I might, could, would or should
have been.
Thou mighist, couldst, wouldst
or shouldst have been,
He might, could, would or should
have been , ✓
vermogende -wijs.
Tegenwoordige tijd.
Ik mag of kan zijn.
Gij moogt of kunt zijn.
Hij mag of kan zijn.
Wij mogen of kunnen zijn.
Gij moogt of kunt zijn.
Zij mogen of kunnen zijn.
Onvolmaakt verleden tijd.
Ik mogt, kon, wilde of zou zijn.
Gij mogt,kondet, wildet of zoudt
zijn.
Hij mogt, kon, wilde of zou
zijn.
Wij mogten, konden, wilden of
zouden zijn.
Gij mogt, kondet, wildet of
zoudet zijn.
Zij mogten, konden, wilden of
zouden zijn.
Volmaakt verleden tijd.
Ik mag of kan geweest zijn.
Gij moogt of kunt geweest zijn.
Hij mag of kan geweest zijn.
Wij mogen of kunnen geweest zijn.
Gij moogt of kunt geweest zijn.
Zij mogen of kunnen geweest zijn.
Meer dan volm. verl. tijd.
Ik mogt, kon, wilde of zou ge-
weest zijn.
Gij mogt, kondet, wildet of zoudt
geweest zijn.
Hij mogt, kon, wüde of zou ge-
weest zijn.