Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
ENGELSCHE
Vervoeging van het Eulpioerkwoord
to have,
Participles,
Present: having.
Past: had.
Indicative mood.
Present tense.
Singular.
I have.
Thou hast.
He, she, or it has, or hath.
We have,
Tou, or ye *) have.
They have ,
Imperfect tense,
I had.
Thou hadst.
He, ^c. had.
We had.
You had.
They had.
Perfect tense.
t have had.
Thou hast had.
He has had.
We have had.
You have had.
They have had.
Pluperfect tense.
I had had.
Thou hadst had.
He had had,
We had had.
You had had.
They had had.
HEBBEN.
DeelwoordeD.
Tegenwoordig: hebbende.
Verleden: gehad.
Aantüonende wijs.
Tegenwoordige tijd.
Enkelvood.
Ik heb.
Gij hebt.
Hij, zij, het, of men heeft.
Wij hebben.
Gij hebt.
Zij hebben.
Onvolm, verl. tijd.
Ik had.
Gij hadt.
Hij had.
Wij hadden.
Gij hadt.
Zij hadden.
Volmaakt, verl. tfjd.
Ik heb gehad.
Gij hebt gehad.
Hij heeft gehad.
Wij hebben gehad.
Gij hebt gehad.
Zij hebben gehad.
Meer dan volm. verl. tijd.
Ik had gehad.
Gij hadt gehad.
Hij had gehad.
Wij hadden gehad.
Gij hadt gehad.
Zij hadden gehad.
*) Zie bladz. 30.
m'mst
£