Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
332.
ENGELSCHE
Are you afraid of it?
ire were conscious of our faults.
She was fond of it,
To he glad of a thing.
They were heedjul of nothing.
To he desirous of a thing,
Be is capable of it.
To be ashamed of a thing,
}Ve were certain of it,
Guilty of a theft,
Be is forgetful of that benefit,
We are tired of it,
Are they susceptible of reason ?
To he jealous of something,
Be mindful of it,
They are ignorant of it,
Are you insensible of it ?
We are short of money,
To be sparing of one's words.
He was negligent of his duty,
Tou are worthy of his bounty.
Unworthy of a thing,
Weary of playing,
Zijt gij er bang voor?
"Wij waren overtuigd van onze mis-
slagen.
Zij was er verzot op.
Verblijd over iets zijn.
Zij zorgden nergens voor.
Begeerig naar iets zijn.
Hij is er bekwaam voor.
Zich over iets schamen.
Wij waren er zeker van.
Schuldig aan een' diefstal.
Hij vergeet die weldaad.
Wij zijn 't moede.
Zijn zij vatbaar voor rede?
Jaloersch op iets zijn.
Denk er aan.
Zij weten 't niet; zij zijn er niet
mede bekend.
Zijt gij er ongevoelig voor ?
Wij zijn schraal bij kas.
Spaarzaam met zijne woorden zijn.
Hij was nalatig in zijn' pligt.
Gij zijt zijner goedheid waardig.
Iets onwaardig.
Het spelen moede.
Of wordt ook bij een aantal werkwoorden geplaatst, als:
To accept of a thing.
Acquit yourself of it,
To approve of a thing ,
The weather does not admit of it,
I allow of it.
Avenge yourself of him,
I availed myself of that opportu-
nity.
To despair of a thing.
To lay hold of a thing,
To consider of a thing.
You brag of it,
I deprived him of it,
It smells of it.
It tastes of it, etc.
Iets aannemen.
Kwijt er u van.
Iets goedkeureu.
Het weÊr laat het niet toe.
Ik laat het toe.
AVreek u op bem.
Ik maakte gebruik van die gele-
genheid; ik greep die gelegen-
heid aan.
Aan iets wanhopen.
Zich van iets meester maken.
Iets in overweging nemen.
Gij beroemt er u op.
Ik beroofde hem er van.
Het riekt er naar.
Het smaakt er naar, enz.
Bij verscheidene dezer werkw. kan evenwel, zonder dat de betee-
kenis verandert, het voorz. weggelaten worden, b. v. na to accept,
to approve, io admit en to allow.