Boekgegevens
Titel: L. Mulder's Aardrijkskunde van Nederland
Auteur: Mulder, Lodewijk; Magnin, B.J.J.
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. & G.H. Meijer, 1876
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6711
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202890
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   L. Mulder's Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
BESCllttIJVING DER NEDERLANDEN.
GRONDGESTELDHEID.
De bodem der Nederlanden is laag, (de naam reeds verraadt zulks,) en
is het westelijkste gedeelte van de groote Germaansche vlakte. Die bo-
dem is zóó laag, dat, zoo er geene dijken bestonden, bij een eenig«
zins hoogen vloed het land tot Antwerpen, Bergen-op-Zoom, Gorin-
chem, Utrecht, Amersfoort, Zwolle, Steenwijk, lleerenveen, Leeuwarden
en Groningen onder water zou staan. Hier en daar zouden enkele hoogten
zich verhellen, als: in het Gooiland, te Steenwijkerwold en Wolvega.
Als eilanden zouden daarboven uitsteken: Nederhorst-den-bcrg, Muiderberg,
Vollenhove, Urk, Wieringen, Tessel, Gaasterland en de Friesche Wouden.
Voor de berekening der hoogte is voor ons land als grondslag
aangenomen het nulpunt op de peilschaal van 't waterkantoor te Amsterdam,
Anxsterdamsche peil genoemd, zijnde de gemiddelde hoogte van den
vloed in het Y, vóór die stad.
De hoogste en laagste punten zijn: de Hondsrug, hij Groningen 5,5 M.,
Arnhem 9 M., Assen 12 M., Darthuizerberg, 49 M. Soesterberg 60
M., de Lemelerberg 81 M., bij de Steeg 91 M., het Soerensche bosch
103 M., bij Dieren 110 M., de St. Pietersberg 123 M., bij Valkenburg 160 M.,
bij Vaals ruim 200 M. boven (f) A. P.; en de Zuidpias, bij Gouda
5.61 M., bij Zoelermeer 4.93 M., de Haarlemmermeerpolder 4.15 M.,
de Deemster 3.5 M., de Schermer 3.25 M., de l.opikerwaard (in 't Z.W.
der Prov. Utrecht), 1.1 M. onder (—) A. P.
De bodem beslaat uit losse aarde; slechts in enkele streken vindt
men gesteente.
Uitgezonderd het veen^ is die aarde een produkt van het zee- en
rivierwater. Naar den tijd harer vorming onderscheidt men twee hoofd-
soorten: diluviale, de oudste, en alluviale, de iongste.
Tol de diluviale gronden, die 41% van de oppervlakte beslaan, rekent
men het zand, grint, de leem en de Limburgsche klei; zij worden vooral
in het 0. en Z. van ons land gevonden.
Tot de alluviale gronden (de overige 59°/^) rekent men de veenen, xee^
en rivierklei, bcekbezinking, duinen en zandverstuivingen en verder al de
met vruchten bebouwde gronden. Het veen wordt onderscheiden in hoog- en
laagveen. Het koogveen, dat afgegraven wordt en ons den langen turf verschaft,
komt nog voor in het Z. 0. van Friesland en Groningen, het 0. van
Drente, hel N. 0. van Overijssel en het moeras de Peel, op de grenzen
van Noordbrabant en Limburg.
Het laagveen vindt men in 'l Z. \V. van Friesland, ter wêerszijde
3