Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
Deus! hoc wel behagen si mi I
Hoe lieflic sijn si, enile boe scone!
Elk mocht met eren eens coninx sone
Weseii. Wi mogen u loven met recht.
Dal gi (lus meerei ons geslecht.
Ic had grole bliscap gedreven,
Had ik geweien van desen neven;"
26.
Wij hebben eenigszins breetvoerig over dit procluct der
middeleeuwen gesprooken, terwijl wij slegts alleen een kort
overzicht geeven kutmen van de andere producten , dewelke
tot het eerste gedeelte van dit tijdperk kunnen te behooren
gereekent worden, en zonder uittreksels van dezelve mede te
deelen. Wij moete ons met een eenvoudige opgave van het
voornaamste vergenoegen.
Wij noeme in de eerste plaats de Reis van St. Brandaen,
een egt digterlijke legende wier hooftpersonage St. Brandanus,
abt van Lancarvan , is, dien in de zesde eeuw leefden, en
een reis na de Kanariesche ijlanden deet, tot uitbreiding van
het kristendom, eenige tijt op Afrika's kuste rontzworf en
eindelijk weder terugkeerde. Men wil dat reeds in de twaalfde
eeuw dit gedigt, waarschijnlyk oorspronkelijk fransch, in
't Vlaamsch bestaan heeft. Het is dan ook bijzonder om hare
oudheid dat wij dit stuk hier voorop plaazen en dat wij
het niet bij de laater te behandele ridder romannen rang-
schikken , waarvan het zich dan ook noch onderschijdt door
dien het op eene ware gebeurtenis zich grondet. Niet zoo
out schijnt hetgeen in het Nederlants van het Nibelungen-
of Nevelingen-lied over is gebleeven, waarvan het grootste
deel is verloren geraakt en dat van het begin der dertiende
eeuw schijnt. Dit liet ontfing zijn aanzijn in Duitschlant,
en wort toegekent aan Heinrich van Offerdingen. De hooft-
persoon is Siegfriet, den zoon van Siegmond , de koning van
Nederlant. Het gedigt melt zijn huwelijk met Ehriemhilde
van Borgonje, zijn dood door Ehriemhildes broeder, beur
wraek over die moort en haar eigen omkomen alseenslagt-
offer haars eigen wraaklust.
Van de Goedroen , een ander heldedigt uit deze tijt, bestaat