Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
25.
Nieuw beswaar dus tegen Reinaart. De zending van Tibaert,
de Kater, liep niet beter af. Eindelijk wordt Reinaart door
Grimbaert de das over gehaalt om voor de koning te verschij-
nen. Hier wordt hij tot der galg verwezen; maar weet zich
zelf vrij te plijten, en Isengrijn en Bruin der gevangenis te
doen verwijzen. Na noch andermaal zijne listigheid gebotviert
te hebben, ontdekte Nobel hoe gruuwlijk h'ij hem misleidt
heeft. Isengrijn en Bruin wieren uit hare gevangenschap
ontslaan, en ter hunner eeren twaalf dage lang extra feest
gehouwen. Zoo ver den inhout van het eerstè boek. Gedu-
rende de feesten kome weder nieuwe klaagers tegen Reinaart
op en Nobel zweert de vos nu voor zijn euveldaaden na ver-
dienste te straffen., Reinaart waagt het "nog eens ten tweede
male om de hem aangetijgde schuld op zijn beschuldigers zelf
terug te werpen, en plijt zich weer zoo schoon vrij, dat
Nobel hem vergeeft. Isengryn daarmee niet te vreede daagt
hem ten tweegevegt, waarin den Vos, middels een tovergebet
zijner moei Rukenauwe, den aapin, overwinnaar is. Hierop
schelt de koning hem zijn misgrijpen kwijt, en Reinaart leeft
verder op zijn casteel in grote bliscap.
Om ook van het tweede boek een staaltje te geven nemen
wij iets uit zijn bezoek bij zijn moei de apin, waarvan hij
eerst zegt:
Ic en sach nie leliker dier dan dat.
Ende bi liaer lagen , doe le spronge,
Haer drie kinder, lelike jonge,
Die haer moeder wel geleken.
Maar Reinaert moest zijn fatsoen houden en in zyn confi-
pliment dat hij maakte he^ft hij waarschijnlijk wel aanleiding
gegeven tot het spreekwoord: mp wat hebje moje jongen. Hij
dan zegde:
.....»God , rtiet wel doen mach ,
iVIoeie, die geve u goeden dach
En uwen kinder, mijn magen!
Het sijn die scoonsle van haren dagen
Die ic gesach, voor ofte na bi,