Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
SS
den , en men zal zich zelf een denkbeelt kunnen maaken hoe
al dit de taal en hare beschaving voordeelig moest zijn ge-
weest. Schitterend treed dan ook het Nederlandsch in het
tweede tijdperk haarer letterkundige geschiedenis te voor-
schein. — Naar deze inleiding tol ons onderhavig onderwerp
zullen wij, agtervolgends een korlebeschouwing van de over-
blijfselen dier tijt beschouwen, en daarbij wel uit een twee-
ledig oogpunt naamentlijk taal en literatuur, te werk gaan
doch hooflzakelijk ons tot het laatste bepaalen. Dat wij het
slot van dit tijtperk zo precies op 't jaar 1572 plaatsen is niet
om de reede, dat er in dat jaar een particuliere ommekee-
ring in de onlwikkelings gang onzer taal nog zijner letteren
zig openbaardde, maar mits in hetzelve juist den eerste schee-
mer van den morgenstont van de herleving van onze natio-
nalen vrijheit onigloorden.
22.
In het tijdperk , dat wij nu onder den hant hebben vertoonen
in 'tbegin en taal en letterkunde een gelijk voorwaartsslreeven,
een zelfden gang van verfrajing en beschaving, welke weer
echter door de laatste spoedig verlaaten word, daar zij in de
veertiende en vijftiende eeuwen veel van haar aestetische
richting verloeren raakte Wij ontmoetten nu de Vlaamsduitse
dialekt als een vloeijende, kragtige, aangenaame taal, die
beden ten daage wel in uiterlijke vorm beschaaft en gewijzigt
is geworden geweest, maar in zijn eigentlijke bestantdelen
tog genoegsaam denzelfden gebleeven is.
Wij zullen ons in onze beschouwing van de schone vroegere
gedenkteekenen onzer letterkunde het eerst bepaale bij een der
oudsten en agtingswaardigste gevrogten van deze tijt, het epis
faabeldigt Iteimaii de Vos genoemt. Het is wel niet na tijtorde
dat wij met dit gedigt beginnen; want van de twee delen,
uit dewelke het beslaad, word het eerste tot den jaare 1170
gebracht; van 't tweede wordl. Willem van Utenhove, Priester
te Aerdenbui'g in Staats-Vlaandere als schrijver genoemt.
Dezelve heeft na een out hantschrift het ouderen gedeelte
of de eersle 3394 regels eenigsins verandert, en aangevult
gedeeltlijk met sijn eigen vinding gedeeltlijk na fransche en
Walse boeken tot een geheel van 7816 verse. Het eerste