Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
sluol hier in Vraniion
sô brûchê her es lango !
Thaz gicleiid her thanne
sûr mit Karlemanne,
bruoiler sïneino
ihia czala wunnionô.
Tot goet verstant van deeze reegelen zullen wij eenige aan-
merkingen daarop raeedeelen, en daarna de overbrenging in
onze. hedendaagse taal den leerlingen overlaten.
Vooreerst dan vinden wij de a als uitgang van verbuiging,
waar wij de zacht korte e hebben, als : einan voor eenen ;
chala voor alle, geheele; holóda voor heilige; terwijl wij
diezelfde e als i aantreffen in het voorvoegsel ge, als : gilhigini,
voor: getuigen, gezellen, gevolg, en als meervoud uitgang in
hetzelfde gethigini, en in dugidi, voor: braven, edelen; als
O in gerno voor gaarne, lango voor lange. Verder in gideild
voor gedeelde, van gedeelen, tegenwoordig deelen. De ei voor
onzen langen e, in: weiz, heet; heizsil, heet, enz. De ver-
dere in het bovenstaande voorkomende woorden zijn, i/j—ih;
her — hij en verbogen : inio, imos, inan — hem, ther— die ;
thionót — dient; lónót—loont: warth—werd; sar — zeer, ge-
heel; buoz— hoos^, droevig, moeijelijk ; truhtin — geleidde;
magaczogo — opvoeder; frùnisc—statig ; stuol — een stoel of
zetel; Vrankón — Frankenrijk; bruchê— geniete; es —hel;
thes, thaz — dat; sinemo— zijn; thia—die; tvunniónó —
heerlijkheid. Wij geloven, dat het genoeg zij.
tweede tijdpeiyc.
Middel-Nederlandsche Letterkunde van 1150 — 1572.
19.
De tijd waarmee wij onze Middel-Nederlandsche Literatuur
aanvangen, hebben sommigen den bloeitijt, den gouden eeuw
onzer vroegere letterkunde genoemd. Lange tijt heeft men
gemeent onze letterkundige geschiedenis eerst om_streeks in
het jaar 1250 te kunnen laten aanvangen. Dog laatere naspeu-
ringen hebben verschijde geschrifte aan 't ligt gebracht, die
in frischheit en gloet van poezije de voortbrengselen der der-