Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
S5
•17.
Naar deze invallen gedunrende het eerste tijtperk des leen-
stelsel, bepaaldde het beoefnen van de geleerlheit alleen binnen
de cloostermuuren zich. De bewooners der kastelen veraf-
schuiiden de letteren en onder de leifijgenen wiert geest en
leeven uitgeblust door den slavendienst dien van hun geijst
■wiert, zoo dat nog van deze nog van hun meesters te'wag-
ten ware dat zij met hunne voortbrengzels de letterkunde ver-
reikten , zoodat heigeen dien tijt opleevert bepaalt zig hoofd-
zaaklijk tot kerkelijke literatuur. Vrieslant maakten een on-
derscheit. De frije Fries waar reets onder Lodewijk de Vroo-
me van de hofhoorigheit ontslaagen. Bij hun konden dus
de— burger zig op het beoefene van weetenschap en letteren
toeliggen. Men vind dan ook van Yriesche geschietschrijveren
uit die tijt gewach gemaakt. Onder andere noemd men ze-
kere^ Solcke Forteman, welke onder Radboud II leefden. Zij-
ne aantekeninge werde omtrent 970 door Ocke van Scharl in
een— latere— kroneik opgenoome.
18.
"Voor wij dit tijdvak verlaate willen wij noch over een
enkel digtstuk spreeken ; en daarvan eenige reegels mededee-
len. Hoewel het in het Vrankisch is opgestelt, kan het tog
de leerling dienen om zich van die oude taal dialekten eenig
denkbeeld te formeeren. Wij bedoelen het Lodewijks-lied,
zijnde een— zegezang op de— zegen van Lodewijk III op de
noortmannen behaalt. Het liet begindt dus :
Eiiian kmilnf; weiz ih ,
hei'/.sit her llliidwig .
Iher genui Ciode lliionól:
ih weiz, her iinos föiiól.
Kind warih her faterlós;
Ihes warih imo sar huoz:
holoda inaii Iruhlin
niagaczogo warih her sin.
Gal) her imo dngidi
fronisc gilhigini ,