Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
.80
maar dat het hoogduits zeer aanmerkelijk daarin is afge-
weeken. Ditzelve kan men opmerke, wanneer men het te-
genwoordigen hoogduitsch met het oud- en midden hoogduits
vergelijkt tegenoover het neederlands.
Buiten het aangevoerdde wil men de ouderdom van onzen
spraak noch bewijzen uit zijne verwantschapt met eenige oos-
terse taaien. Daar deze ons egter te wy tlopig zou doen moe-
ten worden willen wy liever onze jeugdige lezer verweizen
na de »Verhandeling over de Nederduijtsche Tael- en Letter-
kunde van de verdienstelyke belgische taalforscher J. F. Wil-
lems , in hetwelk men het boovengezegden door voorbeelden
gestaaft vint.
10.
Eer wij verder gaan , willen wy uit het hierboven straksch
aangehaalde, opgenoemde werk van de geleerde Willems eenige
gedeeltens overneemen, die zig op ons onderhaavig onderwerp
betrekken; en tevens onze leezer een staaltjen te geeven,
hoe belaggelyk men somtijds in het verdeedigen der outheit
onzes taais is te werk gegaan. 1) Hy zegt: »Tot den oor-
sprong noch tot de eerste jongheyd onzer tael kan men, by
middel van schriftelyke gedenkstukken uyt vroeger eeuwen,
niet opklimmen, dewyl die gedenkstukken niet meer aan-
weézig zyn en ligt nooyt geweest zyn. Onze eerste voor-
vaders waeren Barbaeren , die , tot den tyd toe dat zy van
de Romeynen overheerd en eenigermaete beschaefd wierden,
denkelyk noch leézen noch schryven konden. Men verhaelt
dat huime Druïden of Priesters wel degelyk zulks belette-
den te leeren, vreezende dat den gemeenen man daerdoór
te veél kennissen verkrygen en het gezag der godgewyden
aen zyne te vrye gedagten onderwerpen zoude. Nog in de
negentiende eeuw worden er lieden gevonden die het, om-
trent dit punt, met de oude Druïden volkomen eens zyn ;
maer, gelukkiglyk vóór het tegenwoórdig geslacht, de heden-
daegsche volken van Europa hebben in 't algemeen, nopens
het leézen en schryven , geheele andere denkwyzen dan hun-
1) Wanneer wij hier Cn in 't vervolg stukken uit Vlaamsche of an-
dere schrijvers overnemen, dan laten wij hunne spelling en schrijf-
wijze onveranderd. De leerling kan die echter naar de regels onzer
spraakkunst en spelling overbrengen.