Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
naardat laater de Franke hier de Romijne vervingen, en voor-
al naar de versprijding der Friezen over geheel — het Noort-
Neederlant, en is toen het eigentlijke Nederlands eerst ont-
staan uit de inëensmelting van de Frankisch, Saxissche en
Friese taaien, als zooveele uitspruitsels van de— Neerdui-
sen stam.
8.
Bij gebrek aan schriftelijk ooverblijfsels in het Nederlands
uit deze vroegere tijden, is het niet moegelijk de— toenma-
lige— toestant onzer taal te bepaalen. Al wat wij van voor
den twaalefden eeuw bezitten is in de een of ander der boo-
ven genoemde dialekte het Vries, Vrankiesch of Saxiesch
vervat. Zoo zijn er van 't Vries eenigé wetten ofbeschreeve
rechten noch aanweezende; in het Vrankiesch een— zegezang
op Lodewijk III en in het Saxiesch een evangelien-harmonie;
dezen en andere geschriften van die tijt kan men dus niet
tot het ijgentlijk nederlands brengen. Eene uitsondering ma-
ken eenen psalmbundel, die men tot de tijt van Karei de
Groote reekent, en dien in veele opzichten met het laatere
Neederlands oovereenkomst heeft. Het gemisch eventwel van
letterkundige beweizen aangaande de outheid en onvervalst-
heid onzer taal wort aan de— eene— kant vergoet door het
bestaan van verschillige ijgenamen, welke noch heeden ten
dage hun oorspronk duidelijk uit hun beteekenis doen kennen.
9.
Aan de— andre— kant bleikt dezelve uit de vergeleiking
van ons Neederlands met de taal, dien men aantreft in eene
der outste gedenkstukken, dat wij in de duitse taal bezitten
namentlijk een gedeelte van [een beibelvertaalingin het Meso-
gotis van de bisschop Ulfilas; vervaardigt omstreeks het mid-
den der vierden eeuw. Het gootisch kan men beschouwen
als d— stam, uit welke het hoog- en nederduitsch gesprooten
zijn, en wanneer men dan die stam vergeleikt met hare tak-
ken , dan zie men dat het Hoogduits ten opzichte van het
gotisch denzelfden verscherping is ondergaan, dien zij ten
opzichte van het Nederlands noch heeden ten daage heeft, zo-
dat wij, wat der uitspraak betreft besluiten moogen, dat het
Nederlands in de hoofbestanddeelen dezelve gebleeven is;