Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
1(S
Het beesige van ritmise vormen is een— bijzondere— vaar-
digheit, die— men verzifikazie of kunst van verzen maken
noemt, en dus zal men het eerste een geversifieerde jprosa
kunnen noemen. De poesie is desalniettemin; evenwel poesie
in wat voor vorm ook , en so haar— uitdrukking al niet in
ritmise perijoden is afgedeelt, het is poesie, maar geen—
verzen.
4.
Na deez— hoofdverdeeling van de form uitgaande, te heb-
ben tragten toe te ligten , zullen wij beproeven ook een idéé
van haar onderverdeeling te geeve, dewelke wij evenwel eg-
ter uit een ander oogpunt beschouwè. Bij dit komt nament-
ryk niet zoo zeer de— vorm als wel de— stof in aanmer-
king.
De poezie word na sijn— inhout en richting onderschyde
in: 1. Lierische ; 2. epiesche; 3. dramatiesche en 4 diedak-
tiesche poesie.
Door lierischen poezie verstaat men een— ontboeseming
van des digters gevoel, in zangen, waartoe hij door de—aan-
drift van dat gefoel zelfen onwillekeurig gelijd word, hiertoe
behoren de ooden, liederen, lofsange , enz. — De epiesche
poesie bestaad in digterlijke verhalen. Dezelve bevat dus het
heldendigt, de Romanse, de Vertelling, de faable. De dra-
matiesche poesie bevat het taafereel van de handeling van sa-
menspreekende persoenen. Zij bevat de digterlijke samen-
spraak, bijzonder in tooneelstukken gebezigt. — De diedak-
tiesche poezie bevat het leerdigt; d. i. de— digterlijke—
voordragt van eenig weetenschappelijk of zeedekundig onder-
werp.
Het prozaa of de— ongebonde— steil is verhaalent, rede-
neerend of onderweizenl. Het eerste behoort aan de geschie-
denis en de roman , de tweede tot de — redevoering, de der-
de tot de— uitlegging of verklaring, en is dus de— steil
voor 't onderricht.
8.
Bij de behandeling der geschiedenis der taal en der litera-
tuur teevens is het zwaar eene verdeling te maaken die
juist met ieder dezer bij de onderwerpen gepast zij. Het is waar