Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
t
of nationaal karakter oopenbaaren. Hetgeen dat de literatuur
in deez— laats— zin bevat word ook wel met de— bijzon-
der— naam van fraaye letteren bestempelt.
2.
Wanneer wij uit de Letterkunde de schoonbeit, rijk-
dom en kragt onser taal zullen willen aantoonen , dan spreekt
het als van zelfs dat wij ons by de behandeling zijns geschie-
denis bepaalen tot zijn— opvatting in den engeren betekenis
des woorts , en dus tot de — beschouwing van hetgeen, het-
welk de laai in een— aesthetisch— zin heeft opgeleevert.
Door aestheitisch— zin verstaan wij al wat waar schoon en
goet is, of so als Paulus het digterlijk uitdrukt al wat liefe-
lyk is en wel luit.
Voor en aleer wij tot de behandeling van ons onderhavig
onderwerp overgaan geloven wij het, dat het niet ondoel-
matig zal zijn , om hetgeen door fraje letteren verstaan word
nog eenigszins toeteligten.
Wij sullen dan eerst opmerke, dat zij zig in twee hoofd-
rubrijken verdeelen de poesie en de prosaa. Hoewel die
woorden ook weeden bijden in een— meer ruimer— en en-
ger— zin kunnen genomen worden, so moeten wij eventwel
—een meer bepaaldere beteekenis daaraan geven, dien wij
ietwat naader zullen verklaren.
3.
Door poesij verstaan wy dan al wat grootsch en schoon
gedagt, en teevens in een— ritmisch— vorm is uitgedrukt.
Ontbreekt die— vorm aan de uitdrukking van zulke gedach-
ten , dan noemen wij haar prosa. Daar wij in onze bepaaling
van het idee dat wij ons van de fraje letteren maaken uit-
gaan , zoo moet zig het onderschijt die wij in proza en poesy
maaken alleen tot de— vorm bepalen , met voorbehout egter
dat de— behandelde— stof aan het verijste van schoonbeit
liefel'ykheit en welluidendheit voldoet. Immers leert ons de
daagelijkse ondervinding, dat zeer prosajesche gedagten in
ritmische forme worde gebragt : dew'yl daarintegen dikwyis
de waare, egte poesy die formen mist. Is dan het eersten
een prosajesche poesie en het andere een poetis prosa? Ver-
re van daar. Zoo laaten zig die woorde niet combineeren;